8 april 2016

Brakende papegaaien

Je hoort "Hasta la Vista, Baby," als een papegaai klanken reproduceert die deze heeft gehoord, en weer gehoord, en nog eens gehoord. Die papegaai kan niet uitleggen wat "hasta", "la" en/of "vista" betekent. De knappe papegaai die hieraan toe zou voegen: "tussen haakjes; dit is Spaans voor 'tot ziens, lekker ding,'" zal nooit geboren worden.
Zo hoorde ik onlangs iemand in de kerk papegaaien "het gaat er niet om wat je doet, maar wie je bent." Voor dit soort uitspraken hoef je trouwens niet in de kerk te zijn, hoewel de identiteitshype haar heerlijk in de houdgreep heeft.
De eenzijdige nadruk op identiteit die vervolgens zaken zoals "je ding doen," "jezelf zijn," "dicht bij jezelf blijven" en "authentiek zijn" annexeert, is niet zozeer te herleiden tot een Bijbelse waarheid die na eeuwen onder het stof te hebben gelegen, plotseling herontdekt wordt.
Nee, het is eerder een ontwikkeling die zich van buiten de kerk naar binnen heeft gewerkt. Zelfontplooiing, zelfbewustzijn en zelfactualisatie zijn onder meer een reactie op een ongebreidelde economische ontwikkeling waarbij we collectief neigden naar een te overdreven accent op de mens als productie eenheid. "Wat doe je," is een vaak gestelde vraag  en gretig leggen we aan onze gesprekspartner uit wat onze (vaak wat aangedikte) economische waarde is.
De vraag "wie ben je?" laat zich wat moeilijker beantwoorden, althans als de - uhhs, ahhs, en interessante vraag - reacties die vaak gehoord worden daarvan een indicator zijn.
Op zich is hier helemaal niets mis mee. Een goede, gezonde balans tussen zijn en doen; je hoeft geen 70 jaar op aarde rond te rommelen voordat je die ontdekking doet. Het vinden van die balans is  een levenstaak waarbij nooit een zuiver midden gevonden wordt.
Onlangs stond er in een kerk, en vanachter het katheder een soort van super papegaai - hoe deze specimen aan zendtijd was gekomen is mij overigens een raadsel- tot zijn eigen lieve lust een partij te braken! De golven stortten zich over het schijnbaar gedweeë publiek, dat zich op en neer liet dirigeren en de klanken van de papegaai zelfs (in opdracht) nabootste.
Nu wordt het een papegaai niet aangerekend dat deze de context van de geuite klanken niet kent. Maar dat is anders bij een menselijke papegaai. Als duidelijk wordt dat deze slechts klanken nabootst die door een andere, nog grotere en kleurrijker papegaai zijn gesouffleerd, dan hebben we collectief een probleempje. Zeker als we dat passief laten gebeuren.

De Geest van Facebook heerst ook in de kerk: ik lees wat en ik hoor wat en als dat gelezene of gehoorde in mijn straatje past en/of ik vind dat dit ook het straatje van mijn vrienden door moet hengsten, dan like of share ik het toch. Puur papegaaiengedrag.
Het is natuurlijk verleidelijk om niet door het vervelende, tijdrovende traject van denken en toetsen heen te hoeven gaan. Laat anderen het werk maar doen. Ik braak dan wel na.
Als de doorworsteling van de materie ontbreekt (relaties, het leven met haar vreugde en verdriet, de vraag naar waarheid en zin, enzovoorts), is dat wat er over die materie gezegd wordt niet veel meer dan het karikatuur van een brakende papegaai.
Ik geloof nog voldoende in de mens om te geloven en te stellen dat we veel beter kunnen dan klanken uitstoten: woorden die uit de worsteling met het leven omhoog borrelen en leven en bemoediging brengen aan hen die daarnaar snakken.

18 januari 2016

God in het kippenhok

Jarenlang was het kippenhok de enige stabiele omgeving die Sujit kende. Hij leerde, zoals alle kinderen doen, door imitatie. Zijn voorbeelden waren kippen, en daarom gedroeg hij zich als een kip. Hij hopte rond als een kip, hield zijn handen gevouwen als klauwen en fladderde met zijn armen. Hij pikte naar zijn voedsel, kukelde als een haan en nestelde zich op de vloer als hij ging slapen.[1]

Het tragische leven van “kippenjongen” Sujit Kuma en andere voorbeelden van (ferale) kinderen die opgroeien in een dierlijke omgeving toont onder andere aan in welke mate onze sociale omgeving een rol speelt bij ons gedrag, taalvorming, wereldbeeld, enz..

Ik moest hieraan denken toen iemand mij er onlangs op wees dat we voor het begrijpen van God slechts de Bijbel nodig hebben. Het idee daarachter zou zijn dat God dan zelf zou zorgen voor het nodig inzicht, een zuivere beeldvorming en interpretatie. De talloze boeken, verklaringen en duizenden jaren van zwoegen om te begrijpen door grote en kleinere namen, zou slechts ballast zijn en vooral onwelkome stoorzenders die een helder en authentiek begrip in de weg staan.

Het idee van een een-tweetje tussen God en mij (uiteraard met behulp van de Heilige Geest als vertaalstation) is, hoezeer ik het idee erachter begrijp – het idee dat een objectieve, ultieme autoritaire uitleg bestaat en mij persoonlijk wordt geopenbaard - niets meer of minder dan een illusie en een vrucht van het neo-liberale individualistische denken. Tegelijkertijd, en de eerlijkheid gebied me dit te melden; de apostel Jacobus stimuleert het idee van dit een-tweetje.[2] 
Echter, omdat de Bijbel in een “wij context” is geschreven en bedoeld, is het wel zo sportief om het “wij-idee” vast te houden bij de interpretatie ervan. Een voorbeeld van het verkrijgen van inzicht door er heftig naar te speuren is onder andere in Spreuken 2 te vinden.[3]
Stel je voor dat ik zou besluiten om op mijn 27ste verjaardag alles wat ik ooit gehoord, geleerd en gelezen heb overboord te gooien en opnieuw te beginnen: een frisse nieuwe Bijbel, een maagdelijk witte Moleskine (met zwarte, harde kaft), een setje balpennen en vertrouwen op de vooral in mysterie gehulde Heilige Geest. Het idee is tegelijk dolletjes en naïef.

De beelden, begrippen, inzichten, wereldbeelden en overtuigingen; de hele rataplan is onmogelijk ongedaan te maken. Ik ben het “slachtoffer” van mijn eigen socialisatie en heb daarin weinig te kiezen. Wellicht dat enige ombuiging mogelijk is maar dat lukt me nooit alleen. Het Bijbelse idee van leven en leren in gemeenschap waarbij ik me nooit alleen tot God verhoud, maar altijd ook tot de ander is het instrument dat een rol speelt ik het herzien en/of hervormen van beelden, gedachten en interpretaties.
In het Judaïsme en Christendom speelt interpretatie een voorname rol. Het "gemeenschap" zijn betekent onder andere dat we met en van elkaar leren en elkaar, dus ook elkaars interpretatie voortdurend bevragen. Het idee dat het slechts tussen God en het individu zou gaan impliceert een "ongefilterde infostroom". Met andere woorden wat ik beleef, voel en denk zou zuiverder zijn dan wat ik samen met en door anderen leer, hetgeen niets anders dan besmetting zou zijn. Dat is altijd de oorsprong van sektarisme. Gods scheppingsmodel omvat altijd de ander. Zonder de ander kunnen we niet eens bestaan. Zonder de ander zou mijn wereld nooit groter zijn of worden dan mijn eigen kippenhok. 




[1] Uit “Het maakbare brein” van Margriet Sitskoorn (Bert bakker, 2008)
[2] “Komt een van u wijsheid tekort? Vraag God erom en hij, die aan iedereen geeft, zonder voorbehoud en zonder verwijt, zal u wijsheid geven” (Jakobus 1:5).
[3] Spreuken 2:1-5 Mijn zoon, als je mijn woorden aanneemt, en mijn geboden bij je opbergt, om je oor acht te doen slaan op de wijsheid, als je je hart neigt naar het inzicht, ja, als je roept om het verstand, je stem laat klinken om inzicht, als je het zoekt als zilver, het naspeurt als verborgen schatten, dan zul je de vreze des HEEREN begrijpen, de kennis van God vinden.

17 december 2015

En jawel hoor, negen maanden later...

Het is vandaag precies negen maanden en een dag geleden dat onze laatste nieuwbrief verscheen. Tijd voor een update. Het kost je drie tot vier minuten van je leven om het te lezen. Gelukkig zit je zelf aan de knop van dat besluit.

Klik HIER

Hartelijke groet!

Jan en Martha

14 december 2015

De God waarin jij gelooft, is niet de God van de Bijbel

“De God waarin jij gelooft, is niet de God van de Bijbel;” een conclusie die je zou verwachten van iemand die de Bijbel als Godsopenbaring beschouwt in gesprek met iemand die God ziet als de vader of moeder van een selecte groep bomenknuffelaars, dolfijnenfluisteraars of boerenkaas liefhebbers. Je zou zo’n oordeel niet verwachten van iemand die in gesprek is met een ander iemand die nota bene tot dezelfde geloofsbloedgroep behoort. Alleen maar omdat (in dit geval) de een er andere visie op genezing op nahoudt dan de ander. Het gebeurt en zal helaas blijven gebeuren. Er zijn volgelingen van Christus die hun medevolgelingen het licht in de ogen nauwelijks gunnen.

Bron:
Onlangs had ik een lang gesprek met een stel dat door de zendingsorganisatie waarvoor ze werkten en hun eigen kerk is fijngekauwd, uitgespuugd en doorgespoeld. Het ging niet om moord, diefstal, liegen, bedriegen of wat voor immoreel gedrag dan ook maar om een theologische nuance. Helaas is het geen uniek verhaal. Het klinkt menigeen bekend in de oren. Iedereen kent dergelijke voorbeelden of is zelf het object van een dergelijke heksenjacht (geweest).

Het “probleem” met het geloof is dat het is wat het zegt: “geloof”. Het omgeeft zich met nevelen van abstractie en interpretatie. Om het toch te kunnen verankeren in iets wat houvast biedt hebben we zogenaamde dogma’s. Die dogma’s kaderen het geloof in zodat we er nog wat wijs uit kunnen. Deze ankers worden vastgeklampt en zijn de inzet voor wat we kennen als geloofsstrijd. Ik denk wel eens dat hoe onzekerder de gelovige is, hoe krampachtiger de vastklamping is.

De geloofsreis die we persoonlijk en collectief afleggen is eindeloos. Dat moet mijns inziens worden erkend. Op het moment dat ik me ga gedragen alsof ik er al ben en het allemaal weet, hoe onprettiger ik word in de omgang en dialoog. Dat laatste wordt namelijk een monoloog. Een echt gesprek kan dan niet meer plaatsvinden.

Bron:
In de kringen waarin ik me doorgaans ophoud is vaak te horen dat het oordeel niet aan ons is, maar aan God. In de praktijk kom ik echter heel wat hobbyrechters tegen die zich aardig hebben weten te specialiseren in civiel-, bestuurs-, en strafrecht.

Als God liefhebben en onze naaste als onszelf inderdaad het overstijgende Bijbelse thema is (zoals Jezus de wet samenvat) dan zou dit een dogma moeten zijn waar christenen in de praktijk in uitblinken. Gelukkig zie ik dit om me heen gebeuren. Als de genade die God ons geeft in Jezus Christus mijn hart diep raakt kan ik onmogelijk nog een oordeel vellen zoals in de eerste regel verwoord.

Samen (zie vorige Blog) zongen we het bekende lied “Genade zo oneindig groot dat ik, die ’t niet verdien, het leven vond, want ik was dood, was blind maar nu kan ‘k zien.” Ik kan het niet helpen maar telkens als ik dit lied hoor of zing, tranen van diep binnen in me opwellen. Ik kijk om me heen en zie mensen die zo anders zijn, anders denken en doen, maar allemaal door God geliefd zijn; God die liefheeft zonder te discrimineren. Dat wil ik ook.

23 november 2015

Opzouten met dat traditionele gedoe!?

Acht november 2015

Zo tegen tienen rijd ik het plaatsje Buxton binnen, zet de auto stil en druk het rechterraam open. Zoals verwacht hoor ik ergens klokken luiden, een wekelijks terugkerend pogen om de slapende dorpelingen te verleiden zich ter kerke te begeven. Aangezien ik al wakker, en in Buxton ben, laat ik me deze ochtend verleiden. Sterker, ik ben met dat uitdrukkelijke doel naar Buxton gereden. De (Anglicaanse) kerk blijkt Saint Peter’sFairfield te zijn en ik volg een groepje bejaarden die zich langs voor altoos zwijgende, want begraven, vroegere kerkgangers een weg naar de voordeur schuifelen.

Binnen tref ik een kleine dertigtal 70-plussers, één jonger echtpaar van in de zestig en een nog jonger echtpaar met twee kinderen aan. Het orgel speelt zachtjes een eeuwenoud gezang terwijl achterin het veertien koppige koor in witte gewaden de laatste weerbarstige plooien in voorkeurspositie dwingt. De kerklokken verstommen, wat voor de aanwezigen het signaal is om het geroezemoes te staken en een gepast gedragen houding aan te nemen. In processie begeeft het koor zich naar de hun toegewezen plaats: links en rechts van het altaar, dat aldoor zichtbaar is en in het uur dat volgt knikjes krijgt van iedereen die ook maar iets doet of zegt in de bijeenkomst. Buiten, achter de eeuwenoude glas-in-lood ramen en metersdikke muren, blaft een hond en blijft dat doen.

Behalve de preek weet ik precies wat er gezegd gaat worden door de dominee en de aanwezigen. Het script heb ik al gekregen en in twee minuten gelezen. Sterk liturgisch en bevat voor de routiniers geen enkele verrassing. Het is voorspelbaar en traditioneel. Mocht een van de vroegere kerkleden, die om de kerk heen begraven liggen, de euvele moed hebben om uit het graf op te staan en besluiten om als eerste daad een kerkdienst mee te maken; hij of zij zou zonder enige moeite aanhaken, alsof de tijd heeft stilgestaan.

Ik geniet. Maar waarom? Alles wat ik in de vorige drie alinea’s schreef zou eerder aanleiding kunnen zijn om gek gillend te maken dat ik wegkom.
Waar de evangelische wereld zich bij voorkeur druk maakt om de individuele geloofsbeleving en opteert voor een vrij waaiende Geest van God (die van ons toestemming krijgt om Zijn werk vrijelijk te doen) staat hier het collectief meer centraal; God en ons, God en de wereld, God en de kerk waarbij het kruis en het altaar letterlijk zichtbaar zijn en waarop voortdurend wordt gewezen (al die aandacht op Christus zou zowaar kunnen gaan irriteren).

We vieren avondmaal, zingen mijn favoriete lied AmazingGrace en bidden het Onze Vader. Ook al ken ik geen mens in deze kerk; ik voel me helemaal met deze mensen verbonden. ‘t Is familie.
De preek kan ik me niet herinneren. Wel dat het bijzonder vaag was en minder dan tien minuten duurde. Was niet zo heel erg. Ook weer een belangrijk verschil. In de Evangelische kerk staat de preek centraal; de dienst wordt opgebouwd rondom de verkondiging. In deze kerk is de heel de dienst het Woord. Alles wat gesproken word is Woord. Sommigen zullen dat benauwend vinden; voor mij werkt het bevrijdend.

Uiteindelijk vertrek ik als laatste voordat de koster de deuren sluit.

Terug in de auto zet ik de binnenspiegel recht en zie mijn spiegelbeeld. Ik realiseer me dat ik meer grijze haren heb dan dat ik dacht of wenste en zie in mijn ooghoek de tientallen grijze grafstenen. Ik schud de nare gedachte van me af en rijd het heuvellandschap van Derbyshire in. Stilletjes bid ik het Onze Vader nog een keer. 

17 november 2015

Daar is de Here God niet zo heel erg blij mee, weet je.

De intocht van Sinterklaas zal in veel kerken een aardige aanleiding zijn geweest om het “kindermoment” aan vast te haken. “Ben jij ook wel eens jaloers op je vriendje die een groot cadeau heeft gekregen, terwijl jij een stomme chocoladeletter kreeg?” Het is bedoeld als retorische vraag omdat het correcte antwoord “ja” behoord te zijn. Vervolgens het inkoppertje “als jij jaloers bent moet je weten dat de Here God daar niet zo heel erg blij mee is”.

Als je een poosje naar “de Here God is daar niet zo heel erg blij mee” staart, roept dat onvermijdelijk vragen op. Bijvoorbeeld: bestaat er een soort van glijdende schaal van blijdschap bij God die omgekeerd evenredig is aan het niveau van mijn gevoelens van jaloersheid, of welke andere zaken dan ook die God meer of minder blij zouden maken? Met andere woorden: Hoe jaloerser ik ben hoe minder blij God met mij is?

Gisteren naar drie preken geluisterd waarin eenzelfde achterliggende gedachte verborgen zit:
  • We moeten liefhebben. (Hoe meer ik liefheb hoe blijer God van me wordt)
  • We moeten geloven in een letterlijke schepping van zes dagen en een heerlijke jonge aarde. (Hoe letterlijker ik de Bijbel neem, hoe meer aaitjes over mijn bol ik krijg van God)
  • We moeten kappen met zelf werken. (Hoe meer ik toegeef dat ik niets kan, hoe beter God uit de verf komt)

Wat is nu mijn probleem hiermee? Mijn liefhebben zal altijd tekorten vertonen. Mijn vragen en worstelingen met de Bijbel zullen waarschijnlijk alleen maar toenemen en dat “zelf werken of hem laten werken” is zo’n abstracte gedachte dat niemand kan vertellen hoe dat dan werkt, anders dan het introduceren van nog meer abstractie, zoals “loslaten” en “overgeven”.

Kortom, een overweldigend gevoel van “ik doe het nooit goed genoeg” heeft zich in de krochten van mijn ziel genesteld en dat wordt vrijwel iedere keer als ik naar een preek luister bevestigd. Maar één ding weet ik en dat is dat er, om even bij de denkbeeldige glijdende schaal te blijven, een kantelpunt is dat werkelijk alles verandert. Dat kantelpunt is Christus. Door een unilaterale daad van Hem ben ik bevrijd, en met God en medemens verzoend. Daar komt geen glijdende schaal aan te pas. Door die daad van Hem en mijn geloof in die daad is mijn werk, mijn leven en zijn mijn relaties bevrijd.

Met andere woorden, ik zie en hoor nog teveel Sinterklaas met een achteloos verborgen maar wel degelijk aanwezige Zwarte Piet in preken en studies, en mis het hoofdstuk over verlossing waarmee alles in een ander perspectief komt te staan en we in een relatie met God staan waarbij synergie[1] centraal staat.

Ik reken het mijn collega's niet te zeer aan, hoor. Wat ik namelijk niet mis is het verlangen dat doorklinkt in veel preken  en verwoordt wat velen voelen: juist omdat we overweldigd zijn door de liefde Gods, willen we het zo graag goeddoen en Hem behagen. Daar is volgens mij niets mis mee.




[1] 1 Corinthiërs 3:9